A A

Een ruime en interpreterende samenvatting

De klachten over Reynaerts misdaden

1. ‘Het was in eenen tsinxen daghe.’ Bos en haag staan in het groen. Het verhaal begint met een ‘Natureingang’. Er wordt een sfeer opgeroepen van blijheid, harmonie en hoofsheid. Dit landschap is een spiegel van de aspiraties van de koning. Nobel de leeuw wil hof houden om zijn eigen eer, macht en prestige te versterken. Alle dieren zijn present… behalve Reinaert de vos, die te veel heeft misdaan en het licht schuwt. Het regent klachten tegen de ‘felle’ met de rode baard. Baron Isegrim de wolf, een van Reinaerts grootste antagonisten, beschuldigt de vos als eerste. De rosse heeft zijn vrouw Hersinde ‘verhoert’ (A 73: verkracht, maar wellicht ook dubbelzinnig ‘verhoord’ en dus wordt de wolf een hoorndrager) en zijn kinderen blind gepist (zodat er geen getuigen van het voorval zouden zijn). Al het laken van Gent zou nauwelijks volstaan om er alle misdrijven van Reinaert op te kunnen schrijven.

2. De hof- en rechtsdag ontaarden verder in een klaagdag waarop niets lijkt wat het schijnt te zijn. Als tweede klager springt het Franssprekende hondje Courtois voor de koning in de ring. Tijdens een koude winter heeft de vos zijn worst gestolen. Tibeert de kater, nummer drie, komt tussen en verklaart dat hij de worst gepikt had van een slapende molenaar. Wellicht gaat het hier om een erg dubbelzinnige passage. Molenaars waren in de middeleeuwse literatuur bekend als oneerlijke heerschappen en onverbeterlijke Don Juans. (Het verhaal van Chaucers molenaar, The Miller’s Tale in The Canterbury Tales, is het meest aangebrande uit het hele meesterwerk.) Pancer de bever is de vierde klager. Hij beëindigt het gekibbel tussen kat en hond met de mededeling dat hij daags voordien de moord op Cuwaert had voorkomen. Reinaert wilde Cuwaert (of Couart = lafaard in het Frans) de hals doorbijten. De verse wonden bij het corpus delicti worden meteen getoond. Vos Reinaert had haas Cuwaert beloofd het credo te leren en kapelaan te maken en had met dat doel zijn slachtoffer vast tussen de benen genomen. Ook hier vallen de dubbelzinnigheden op. Het ‘credo leren’ en het ‘kapelaan maken’ komen in Middelnederlandse liedteksten voor in seksuele context. De enige afbeelding uit de middeleeuwse iconografie die ondubbelzinnig naar onze eerste Reinaert (of Van den vos Reynaerde) verwijst, is trouwens de vos die de haas tussen de benen neemt. We vinden de scène als marginaaltje enkele malen terug in fraai geïllustreerde boeken uit het Dampierre-milieu. De conclusie is duidelijk: de hoofse hofdag is een klaagdag, waar woord en daad, schijn en zijn onontwarbaar vermengd zijn en waar de taal onmiddellijk ontspoort. Want daarover gaat het Reinaertverhaal echt: over taal en taalmisbruik, over slechte bedoelingen en schijnheiligheid, over deugd en ondeugd en over de meesterlijke ‘scone tale’ van de misleider en verleider Reinaert.

3. De koning moet reageren, maar onmiddellijk springt Reinaerts neef Grimbeert de das op. Hij vergroot de pietluttige worstklacht uit en wijst op de ruzie tussen de hovelingen Courtois en Tibeert – gestolen goed gedijt niet – en hij reduceert de zeer ernstige klachten van verkrachting en poging tot moord. Isegrim is de schurk die Reinaert veel leed deed (de das verwijst naar enkele bekende avonturen uit de Reinaerttraditie) en de wolvin en de vos hadden al zeven jaar een (door iedereen gekende) hoofse relatie. En als de haas zijn lesje niet kent en vals zingt, mag de leraar de roede niet sparen. Als een volleerde advocaat en zich bedienend van ‘scone tale’ van het klaarste water, zet hij de feiten op hun kop. Integendeel, zo beweert de das, Reinaert is dezer dagen een eerlijke man, een kluizenaar, vastend en biddend, bleek en vel over been.

4. Maar schijn bedriegt opnieuw. Vanuit de verte komt naar het lieflijke hofdal een treurige stoet aan onder leiding van de luid jammerende haan Cantecleer en zijn vier resterende weeklagende kinderen met een lijkbaar waarop de dode kip Coppe ligt. Het tragische verhaal van de haan spiegelt de vorst voor hoe het afloopt wanneer de vos zijn passie preekt. De ‘Natureingang’ bij het begin van zijn rede toont dat hij de retoriek beheerst, maar is ook interessant als een spiegel voor het hele verhaal. In deze hanenscène heeft Willem, de verder anonieme Oost-Vlaamse Reinaertdichter, zijn Franse brontekst zeer sterk uitgebreid. Hij stelt de hanenwereld, waar Cantecleer als een koning regeert, voor als een microkosmos, een spiegel van de wereld van Nobel. Hij vertelt hoe hij eens de fiere vader was van vijftien kinderen, alle ‘vet ende staerc’, hem geschonken door zijn vrouw Roede in één broedsel. En hoe zij rustig scharrelden onder het waakzame oog van hun potente vader in een ommuurde tuin die bewaakt werd door honden en zij dus ver weg van elke dreiging leefden. Op een dag kwam echter heremiet Reinaert met een gezegelde brief waarin ‘sconinc vrede’ werd verkondigd. ‘Mi dochte daaran gescreven’, geeft de haan toe, dat de brief verkondigde dat geen enkel dier tijdens de koningsvrede nog vlees zou eten. Net als de koning (dat blijkt later) is de haan ongeletterd, een slaafse volgeling van alles wat nog maar naar gezag ruikt. Dus verlaat hij zijn beschermde tuin en wordt zijn kroost haast uitgemoord door de bloeddorstige kippenmoordenaar. Gisteren vermoordde de vos zijn elfde slachtoffer, Coppe, die de kop werd afgebeten, maar wier lichaam door de honden aan de gulzige vossenmuil werd onttrokken. Het corpus delicti wordt door haar twee zusters, Pinte (de geschilderde) en Sproete (de gespikkelde – de dames krijgen namen die naar hun uiterlijk verwijzen), gedragen. Het zware lastwerk is voor de vrouwen. De mannen, die zoals epische helden allitererende namen krijgen zoals Cantecleer (hij die helder zingt), Crayant (de klagende) en Cantaert (de cantor of voorzanger) klagen luidkeels en begeleiden het lijk. Met groot misbaar smeekt de vader om vergelding. De dode kip krijgt een staatsbegrafenis en wordt onder een linde begraven. Op haar marmeren graf wordt meegedeeld dat ze uitstekend kon ‘scraven’ (even dubbelzinnig als het moderne ‘scharrelen’…).

Reynaert wordt voor het hof gedaagd

5. Na beraad met zijn belangrijkste baronnen stuurt Nobel Bruun de beer met als opdracht om de ‘rode’ te dagen. Bruun, die als exemplarische vertegenwoordiger van het hof van Nobel vertrekt (zoals dat ook aan het hof van diens literaire tegenhanger Artur gebeurt), wordt door Nobel vooraf gewaarschuwd voor zijn tegenstander. Reinaert kan smeken, liegen, bedriegen, honen en hij is fel en kwaad. De koning lijkt zijn antipool zeer goed te kennen en verwijst naar de ‘scone tale’. De zelfzekere beer onderbreekt de allerhoogste in gezag. Hij vertrekt en trekt door een landschap van bos, wildernis en bergen – een would-be hoofse ridder op het lijf geschreven – naar Malpertuis, de beste van Reinaerts burchten. Bij aankomst bedreigt Bruun de vos (de koning zal u laten radbraken en vierendelen als je niet meekomt). De vos beantwoordt de kwade berentaal met stilte en trekt in zijn diepste ‘haghedochte’ om er een plan uit te denken. Pas als hij zijn list (‘baraet’) heeft uitgebroed, komt hij naar boven. Hij is te ziek om onmiddellijk mee naar het hof te gaan door het armemenseneten dat hij bij gebrek aan beters moest innemen. Als een meester van de retardering benoemt hij na veel verbaal getreuzel de spijs: ‘goede versche honingraten’. De steeds hongerige beer vergeet zijn koninklijke opdracht meteen en verkoopt zijn pens aan de duivel. Hij volgt de vos langs een krom pad naar het dorp, waar we de mens zullen ontmoeten als een dom en afzichtelijk wezen met kromme vingers en een lange neus. Namen als ‘Vulmarte’ (= vuile Marta) en ‘Baerdeloge’ (= scherpe pis) wijzen naar de minderwaardige status van de ‘dorpren’. Bovenal worden zij de executeurs van de dwalende en vraatzuchtige ridders. De ‘scone tale’ van de vos lokt de honinggeile beer – ineens beest, potentieel berenvel, prooi, na de vangst ontdaan van spraak en ratio – in een opengespleten eik op het erf van Lamfroit de timmerman. Wanneer de berenkop de honing zoekt, trekt de vos de wiggen uit de eik. De huilende beer alarmeert de dorpsgemeenschap. De dorpers interpreteren het lawaai als een gevaarlijke dreiging. Zo takelen de beer met hun werkgerei heftig toe. De hoofse ridder dient stukken vel en handschoenen in de boom achter te laten. Hij baant zich met bloedende kop een weg naar de rivier. In zijn val sleurt hij de pastoorsvrouw Julocke (haar naam ‘Jou lok ik’ laat weinig onduidelijkheid over haar twijfelachtige status) met vier andere dames (‘wiven’) mee in het water. De pastoor vraagt de beer met rust te laten en belooft aflaten voor wie zijn vrouw kan redden. Wat gebeurt. De beer laat zich, terug de spraak herwinnend, vloekend en ‘biddend’ van de sanctieplaats wegdrijven en probeert te recupereren aan de oever. Dit is buiten Reinaert gerekend, die na een kippendiefstal bij Lamfroit koelte gaat zoeken bij de rivier. De opeenvolgende stemmingen bij de vos zijn erg typerend voor zijn karakter. Eerst is hij euforisch, in ‘bliscap herde menichfoude’ (A 898) omdat de ‘dorper’ de beer heeft kunnen villen. Wanneer hij de beer aan de oever bemerkt, is hij uitzinnig van woede (‘hadde hijs rauwe ende toren’ in A 913 en ‘thoren ende nijt’ in A 915). Lamfroit is ‘dulre dan een zwijn’, een ‘ergher puten sone’ (een hoerenjong in A 918-919). Reinaert wil enkel de dood van zijn tegenstanders. De stemming slaat dan weer om wanneer hij de zwaar gewonde beer ziet en de ‘scone tale’ bespot de beer. Hij bestempelt zichzelf als ‘den roden scalc, den fellen ghier’ (A 940). Nergens is de vossentaal kwetsender en cynischer dan hier. In welke orde dient de beer? Heeft hij zijn top verloren, zijn handschoenen uitgedaan en zich de kruin al te nauw geschoren? De vos kent geen ‘mate’: hij is de onhoofse bij uitstek. Radeloos glijdt de beer in het water en zet vervolgens zijn tocht over het land op zijn ‘hespen’ verder. Was hij ook niet op zijn achterste gaan zitten toen hij bij Malpertuis zijn koninklijke boodschap verkondigde? Willems verhaal zit vol subtiele herhalingen en getuigt van soms zeer grove en soms zeer fijne humor. 

6. Wanneer de eerste koningsbode zo gehavend is teruggekeerd, blijkt dat het hof in een neerwaartse spiraal zit. Een nieuwe ‘queeste’ dient ondernomen te worden. Zeer tegen zijn zin vertrekt Tibeert de kater. Na de macht wordt Reinaert tegemoet getreden met het intellect. Na een kwaad voorteken (een Sint-Maartensvogel vliegt hem links in plaats van rechts voorbij) bereikt hij bij valavond Malpertuus. De structuur van de vossenlist is identiek als bij de eerste bodetocht. Geen honing, maar muizen zijn nu de expliciete verleiders. Tibeert volgt de vos naar de schuur van de pastoor, maar hij weet echter minder dan Reinaert. Pastoorszoon Martinet heeft een strop gespannen om kippendief Reinaert te vangen. Tibeert aarzelt om te springen, pastoors kennen immers vele listen. Uitgedaagd en inspelend op mogelijke lafheid, springt de kater. De snijdende strop verandert de hoofse baron in een ordinaire kat die door zijn gekrijs het pastoorsgezin wekt. ‘Al bloter huut’ en met een spinrokken (een vrouwelijk instrument, maar tevens een slagwapen) in de hand komt de pastoor aandraven. Nadat hij al een oog werd uitgestampt, reageert de kater bliksemsnel op een dreigende doodslag van mijnheer pastoor en in een doodssprong springt hij de pastoor tussen de benen in diens ‘burse al sonder naet / Daermen den dien beyaert mede slaet’ (A 1267-1268) en bijt de geestelijke herder een testikel af. ‘Dat dinc viel neder up die vloer’ (A 1269). Bewusteloos zijgt de dienaar neer onder luid gejammer van Julocke, die vreest voortaan het zoete spel te moeten missen. Reinaert troost spottend dat het met één klepel ook nog wel zal gaan. De mededeling dat ‘hem crakede die taverne’ (in A 1287) schetst Reinaert weerom als de mateloze, hij die geen ‘mate’ kent. Reinaert is de onhoofse bij uitstek. Tibeert bijt het touw door en keert naar Nobel terug.

7. De beklaagde heeft volgens de middeleeuwse rechtspraak nog recht op een derde daging. De das meldt zich aan, ook al is het nog slechts een deel van de hofgemeenschap die hem steunt. De coherentie aan het hof taant en de vertwijfeling neemt toe. Reinaert zal met de das wel meegaan onder bedreiging van de bestorming van zijn kasteel en het uitmoorden van zijn familie, niet echter zonder dat hij de nacht voordien gebroed heeft op een duivels plan (A 2042-2049). Het is niet Grimbeerts argumentatie of de nakende bestorming die Reinaerts beslissing forceren om zich in gang te zetten. Reinaert gaat uit eigen beweging naar het hof. Op de heide aangekomen, veinst Reinaert in gewetensnood te zitten. Hij wil biechten. Deze zogenaamde lekenbiecht wordt een afrekening met Isegrim de wolf. De biecht fungeert voor de Reinaertdichter als een soort kaderverhaal met eigen en aan de Franse bronnen ontleende avonturen. Eén ding is duidelijk: Reinaert kent geen schuldgevoel, alleen maar nagenot. We vernemen hoe Reinaert de wolf monnik maakte in Elmare en hem er aan het klokkentouw liet hangen en afranselen, hoe hij de wolf een pijnlijke kruinschering liet geven, hoe hij hem leerde vissen op het ijs, hoe hij hem in een keldergat zich vol liet vreten en afgeranseld werd, hoe hij de wolf van een hanenbalk liet donderen en hoe de vos zich van de wolvin bediende. Dat Reinaert geen greintje berouw toont, wordt duidelijk wanneer hij na het ontvangen van de absolutie en enige penitentie nabij een klooster van zwarte nonnen een loslopend kapoentje bespringt (Maerlant vergelijkt in Der naturen bloeme geestelijken die de scheve schaats rijden met kapoenen, gesneden haantjes). Op de verontwaardiging van zijn biechtvader kan de snoodaard slechts antwoorden: ‘Bi rechter trauwen, Ic hads vergheten, lieve neve’ (A 1720-1721). 

Reynaerts list

8. Langs de rechte straat gaan ze nu naar het hof, ook al is de vos er niet gerust in. Of zijn het beven en de angst geveinsd? Aan het hof barsten de klachten los en de vos wordt tot de galg veroordeeld. De vossenclan, dus ook Grimbeert, verlaat het hof. Het is nu één tegen allen, maar misschien ook: Reinaert versus Nobel, de strijd der titanen. Reinaert staat, hoewel geboeid, in de kern van de hoofse wereld. Het is de vos zelf die Isegrim, Bruun en Tibeert op weg naar de galg stuurt om de executie voor te bereiden, waardoor hij met zijn belangrijkste rivaal over blijft. Het is ook de vos zelf die onder het voorwendsel dat anderen zouden beschuldigd worden van zijn misdaden, het woord vraagt. Vanaf dan is Reinaert de belangrijkste sprekende partij aan het hof. Hij zal door het gebruik van de ‘scone tale’, die in Willems eigen vinding een nooit gezien literair niveau haalt, de koning via een openbare biecht ‘verdoren’ (van het rechte pad af zal brengen). Deze meesterzet realiseert hij door een onweerstaanbaar leugenverhaal, waarbij hij niet zal aarzelen om zijn neef en zijn bloedeigen vader van samenzwering tegen de koning te beschuldigen. Hier toont Reinaert zijn ware aard en voor die onverbiddelijkheid en kwaadheid zouden wij als luisterend (thans lezend) publiek geen sympathie meer mogen hebben. Ware het niet dat we door Willems en Reinaerts humor en ‘scone tale’ (gebruiken zij immers niet beiden dezelfde beelden en dezelfde woorden?) al lang in een literaire fuik zijn gelokt waaruit geen ontsnappen meer mogelijk is. Reinaert vertelt eerst over zijn prille jeugd, hoe hij als hoofs en onschuldig (beide woorden zijn in deze context synoniemen) met de lammetjes speelde en bij toeval bloed dronk. Niet hij ging echter in de fout, wel zijn oom wolf, die hem in een koude winter bij Belsele wijs maakte dat ze familie waren en hem overtuigde om samen te jagen. De wolf zou het grote stelen, de vos het kleine. Maar de wolf vrat alles op. Geen nood echter, de vos bezat een schat die men in zeven wagens niet kon vervoeren. Beren vangt men met honing, katers met muizen, Nobel en Gente met zilver en goud… 

9. Reinaert reveleert aan het verbouwereerde koningspaar dat deze schat van de legendarische koning Ermenrike bestemd was om een koningsmoord te plegen onder leiding van vader vos en dat men de beer tot koning zou kronen. De toponiemen in het leugenverhaal moeten de geloofwaardigheid versterken. De waarheid (de Ardennen als verblijfplaats van de beer, Vlaanderen en het Waasland als ontmoetingsplaats, Hijfte en Gent als indicaties van de duivelse samenzwering op het woeste veld, Hulsterlo en Kriekeputte als nieuwe bergplaats van de onmetelijke schat) als leugen. Vader vos had in Thüringen en Saksen duizenden huurlingen geronseld. Toen Reinaert via zijn vrouw Hermelijne het bestaan van het plan vernam, die het op haar beurt had vernomen van de dronken en loslippige das, wilde hij het plan verijdelen omdat hij geen beer op de troon wilde. Hij sloop zijn vader steeds weer achterna tot die hem naar de bergplaats leidde. Dag en nacht sleurden Reinaert en Hermeline de schat naar een nieuwe stek. Toen vader vos de diefstal ontdekte, hing hij zichzelf op, een doodzonde in de middeleeuwen. Het vorstenpaar neemt Reinaert terzijde en op vraag van de koningin wordt de vos vrijgesproken in ruil voor de vindplaats van de schat.

De (fictieve) schat ligt volgens de vos begraven in de oostelijke uithoek van het graafschap Vlaanderen, niet ver ten zuidwesten van Hulsterlo, bij de eenzame Kriekeputte. Hij schildert als tegenpool van het lieflijke beginlandschap van het verhaal een afschrikwekkende plaats, een woeste wildernis, door de mens verlaten, alleen bewoond door negatieve vogels (‘die hule entie scuvuut’ in A 2589). Deze ‘locus terribilis’ voorspelt de facto Nobels einde. De bijgehaalde getuige Cuwaert blijkt een Kriekeputte-expert te zijn: hij karakteriseert de plek als een armoedig oord van honger en kou waar ongure figuren huisden en waar valsemunterij bedreven werd. Er worden valse schatten gecreëerd en Nobel wacht er geen eer. Als de koning Reinaert verzoekt hem te vergezellen, verzint de vos dat hij na een banvloek een reis naar Rome en het Heilig Land dient te ondernemen. Een rechtvaardige vorst kan het zich niet veroorloven om met een banneling op pad te gaan. Cuwaert, die Reinaert volgens Pancer wilde vermoorden, biedt de oplossing omdat hij de schatplek weet.

10. Reinaert is vrij. Tiecelijn de raaf rept zich naar de galg om de baronnen op de hoogte te brengen van de nieuwe situatie. De kater blijft met de strik van Martinet om de hals op de galg zitten, maar de beer en de wolf stormen naar het hof tot voor de koning en worden als samenzweerders geboeid.

‘s Anderendaags vertrekt de nieuwe pelgrim. Hofkapelaan Belijn de ram weigert Reinaerts pelgrimsattributen te zegenen, maar het geestelijke gezag zingt na de dreigende woorden van het wereldlijke gezag een toontje lager. Bij die attributen zijn het berenvel en de ‘wolvenschoenen’, voorwerpen die elke sympathie voor de vos wegnemen.

Reinaert heeft de Nobelwereld met zijn hoofse aspiraties omgevormd tot een ‘Andere Wereld’, waarin de wetmatigheden van het dorp heersen, waar dieren gevild worden, mate achterwege blijft en hoofsheid een vreemd begrip is. De schijnpelgrim vraagt een pelgrimstas uit het vel van beer en schoenen van de poten van zijn oom wolf en tante en minnares wolvin. De hoofse maatschappij, die in se vanaf het begin slechts in schijn hoofs was, toont nu haar ware gezicht. De macht, gebaseerd op de ‘reinaerdie’ of de ‘scone tale’, de leugen, de valsheid en de geldhonger regeert. De baronnen bewegen geen vin en verliezen zoals in het dorp elke menselijke trek. De mens handelt als (is) een beest. Niets dringt tot Nobel door. Daarvoor moet nog een moord gepleegd worden. Met eerbetoon en in aanwezigheid van het koningspaar wordt pelgrim Reinaert uitgeleide gedaan. De krokodillentranen stromen langs Reinaerts wangen. Graag had hij iedereen hetzelfde aangedaan als wolf en beer. Maar voor ram en haas heeft hij nog een laatste list, die nog maar eens zijn ware aard openbaart. Koning Nobel is zelf verantwoordelijk dat hij Belijn en Cuwaert als bode met de vos mee op bedevaart stuurt om onderweg Reinaerts afscheid van vrouw en kinderen te verzachten. Nobels gids naar Kriekeputte en zijn hofkapelaan gaan mee naar Malpertuis. Voor het hol aangekomen blijkt dat alleen de haas – beest bij de beesten en dus prooi en aas – naar binnen kan. Cuwaert troost Hermelijne, Rosseel en Reynaerdijn. Reinaerts voorwendsel dat de haas (het aas) een zoenoffer van de leeuw is, is vals. Hij bedriegt ook zijn eigen vrouw. De doodsreutel (met de nodige humor: ‘Dese peelgrijn verbijt mi’ in A 3123) van de haas op de vlucht naar de poort verontrust de doodsbange wachter Belijn. Reinaert stelt hem gerust en meldt dat Cuwaert zijn rol als trooster nog een tijdje wil spelen. Daarom mag Belijn – die niets liever wil dan zich snel uit de voeten maken – gerust al een eindje voorop gaan. Reinaert vraagt de bode om de koning enkele beloofde brieven te bezorgen. Het excuus dat hij geen tas heeft kan hij niet lang gebruiken, want Reinaert duikt zijn ‘aghedochte’ in en komt met de pelgrimstas uit berenvel tevoorschijn. Als Belijn aan de koning meldt dat hij de brieven gedicteerd heeft, zit er voor de gehavende hofkapelaan wellicht nog een promotie in. Blij omdat hij kan ontsnappen springt Belijn twee voet hoog.

Ondertussen vlucht Reinaert met zijn kroost naar een nieuwe wildernis, waar hoenen en patrijzen in overvloed zijn. De beschrijving van het land van belofte is Bijbels, maar uiteindelijk verschilt het beloofde land nauwelijks van zijn huidige burcht. Hij zal er alleen onvindbaar zijn.

11. Wanneer de hofkapelaan aan het hof aankomt, vraagt de koning waarom hét symbool van Reinaerts boetetocht, de ‘scerpe’ uit baronnenvel, nu al terugkeert. Dichter Belijn haast zich het auteurschap van de brieven op te eisen. De ongeletterde koning laat hofklerk Botsaert de aap de brief uit de pelgrimstas nemen en lezen. Nu blijkt Reinaerts werk. De boodschap is ondubbelzinnig: het hoofd van de vermoorde Cuwaert bevestigt de totale ondergang van de koning. De vorst is ontredderd en diep beschaamd en brult zoals men nog nooit van enig dier heeft gehoord. De vos heeft het laatste woord. Firapeel de luipaard, een verre verwant en bastaard van de leeuw, heeft nog een doekje voor het bloeden en doet een poging tot herstel van de orde. Hij overtuigt de koning zich recht te zetten, Belijn en Reinaert en heel hun geslacht vogelvrij te verklaren en de gevangenen los te laten en zich met hen te verzoenen.
De laatste regel van Willems herneemt het register van de hoofse ridderroman: ‘Ende maecten pays van allen dinghen’ (A 3469). In deze laatste woorden zet de Reinaertdichter de ‘scone tale’ naar zijn eigen hand als een volleerde Reinaert, en zet hij de wereld op zijn kop. Willem is Reinaert geworden. Daarom is de Reinaert een uiterst pessimistisch verhaal. De koning wilde met de hofdag zijn macht vergroten, zijn vazallen sterker aan zich binden en zijn hoofse aspiraties onderstrepen. Maar alles is schijn. Niets is wat het schijnt te zijn. De waarheid is anders. De vos is gevlucht, de koning zijn eer kwijt, de ram net als de vos vogelvrij, de beer en het wolvenpaar gevild, de haas vermoord …

Bron: Rik van Daele in Ast Fonteyn en Reinaert De Vos, 2007, Davidsfonds Leuven en ‘Ast Fonteyne’ genootschap vzw

Terug