De klachten van Eduard, Fleur en Belinde
Ook Eduard het oude schaap
kwam en gooide voor de raap:
‘Die verschrikkelijke vos Reynaert
gebruikte mijn vacht als baard!
Omdat hij naar een gemaskerd bal wou,
maar niet wist wat hij aantrekken zou.
Toen hij zag dat ik aan het slapen was
kwam hij naar me met snelle pas.
Muisstil knipte die wreedaard
mijn krullen met grote vaart.
Hij wou met mijn schapenkrullen
zijn outfit voor het bal vervullen.
Toen hij klaar was met knippen,
sloop hij op zijn tippen
naar zijn eigen warme nest.
Daar werden mijn krullen een vest.
Ook een muts en een baard
waren mijn schapenvacht waard.
Daar lag ik in de kou
die vos had wat hij wou.’
Daarop riep de vogel Fleur,
niet bepaald in goed humeur:
‘Ook mij had hij te pakken!
En zelfs de hoge takken
hielden hem niet tegen.
En zonder enige wegen
bereikte hij mijn nest,
dat zich hoog boven de rest
in het grote bos bevindt
waar ik al woonde als kind.
Terwijl ik was gaan jagen,
kwam hij zonder te vragen
mijn nest binnen geslopen.
Eenmaal bij mijn eieren gekropen
speelde hij hen één voor één
door zijn grote mond heen.
Al mijn eieren at hij op
en met een volgepropte kop
sloop hij weer naar beneden
met een maag zeer tevreden.
Toen ik terug kwam van de jacht,
zag ik dat heel onverwacht
mijn eieren waren gestolen
die ik nog zo had bevolen
om te blijven in mijn nest.
Mijn hele dag was verpest.’
De vos Berlinde kwam naar voren
en zei: ‘Moet je even horen:
ik was met hem getrouwd,
we hadden een huis gebouwd.
Samen hadden we een kind,
dat ik erg heb bemind.
Maar op een zondagmorgen
zei Reynaert zonder enige zorgen
dat ons kind was afgestaan
aan de dochter van de haan.
Toen ik vroeg wat hem bezielde
zat hij op de grond en knielde
dat de haan een heel groot loon
zou geven voor onze jonge zoon.
Toen ik wou ontsnappen
wist hij me te pakken,
en in de heuse kou
sloeg hij me bont en blauw.
Gevlucht ben ik vannacht
om hier te zeggen wat ik dacht.’
Rozel Smet, 5 LWI
Koninklijk Atheneum Sint-Niklaas







