Hoort nu van mij in ‘t lang en in ‘t breed,
Nog menig schanddaden die Reynaert deed.
Nadat hij Hersindes jongen, blind en nat,
Naast hun onteerde moeder gezet had
En Bruun zich om zijn vel bekloeg,
Dat hij vóór Reynaerts streken droeg.
Toen Coppes ziel reeds was opgestegen,
En Reynaert Nobels zegen had verkregen,
Zodat die hem een schat zou brengen,
En zich later tussen monniken mengen.
Hetgeen de koning in de tussentijd was vergeten,
Is dat Reynaert listen heeft, maar geen geweten.
Boete en spijt spreken Reynaert niet aan,
En dus zag hij af van zijn tocht naar ‘t Vaticaan.
Als gentlemen echter liet hij Nobel dat weten
Door een boodschapper te sturen net na het eten.
Cuwaert werd gezonden en als vorm van beloning,
Hoefde hij zelf niet te lopen naar de koning.
Nadat de boodschap was gegeven, die slecht werd onthaald,
Ging Reynaert schuilen, tot de woede was gedaald.
Men dacht in het bos, dat de Vos was gaan lopen,
En ver van zijn burcht in een beek was verzopen.
Ieder dier vierde de dood van het beest,
Die elk van hen zo lang had gevreesd.
Reynaert, die slechts een nieuw hol had gebouwd
Heeft het feestgejoel lange tijd aanschouwd.
Toen keerde hij weer, naar zijn hol en zijn vrouw,
En sprak daar woorden, al zonder berouw.
“ Geen dier hier in ’t bos, zal ooit zonder zorgen
Nog uitkijken ’s avonds naar de dag van morgen.
Vanaf morgen aan zullen zij in hun lijken lezen,
Waarom zij Reynaert de Vos zo vrezen!”
En nog voor de zon in het bos op kon gaan,
Ging de Vos naar Scoto, de jongste haan.
Van hem verwijderd door een hoge draad,
Begon de Vos te janken, in overdaad.
Gehuld in een cape, zo zwart als de nacht,
Zei Reynaert de haan dat hij Coppe herdacht.
Het beest was verbaasd door dit te horen,
De Vos vroeg hem toen hoe zij werd verloren.
Scoto vertelde hem al wat gebeurde,
Waarop zij samen de misdaad betreurden.
Zo won de vos ’t vertrouwen van de haan,
En al gauw kwam die buiten bij de ondergaande maan.
Meteen na die stap, voltrok Reynaert zijn wraak
Hij beroofde het beestje van diens geliefde spraak.
Toen men later hem vroeg naar de oorzaak van ‘t kwaad,
Deed Scoto zich voor als de vos in ‘t gewaad.
Opdat allen zouden snappen dat Reynaert nog leefde,
En dat elk dier in het bos best voor hem beefde,
Elk van de beesten die kwamen naar hem,
Geloofden dat hij gek werd, al zonder zijn stem.
Na lang beraad aan ’s konings hoven,
Besloot men de pijn van ‘t beestje te doven.
De haan werd heel eervol gedood en begraven,
Niet ver van het hol dat de vos had gegraven.
Later, toen al drie keer de maan was gaan slapen,
Trok Reynaert erop uit om eten te rapen,
Hij zag in de verte Belijns kleine jong,
En lachte tevree toen hij ’t nekje omwrong.
Wanneer de vader het jonge dier vond,
Kwam de Vos tevoorschijn en sprak terstond,
“ Ik weet dat ik u lang geleden erg heb gekrenkt,
Maar met het bloed van kinderen was ik nooit doordrenkt.”
“ Ach zwijg,” zei de Ram, met het kind in zijn armen,
“ Jouw fout is het nu, dat ik mij niet kan warmen.
Meer kinders van mij stierven door jouw verraad,
Dan dat een zondaar zou betalen voor een volledige aflaat.”
“ Kom zeg,” sprak Reynaert “ Meen je nu echt,
Dat je mij verantwoordelijk houdt voor jouw gevecht?
Je weet toch wel zelf, waarom werd beslist,
Dat jouw leven niets waard was, je rechten uitgewist?”
De Ram werd nieuwsgierig en vroeg naar de reden,
Waarom hij nu niet meer het hof mocht betreden.
Daarop sprak Reynaert over Nobels complot,
Die ieder in zijn weg, reduceerde tot vod.
Hij zei dat Nobel op een dag had gehoord,
Dat een Ram eens zou beuken op de toegangspoort,
Om de macht te eisen die hem was ontnomen,
Toen diens vaders vader was omgekomen.
Nobel die wist dat de vader van Belijn,
Ooit als kind was gevonden bij ‘t gezin van een zwijn,
Zou samen met Firapeel in ’t geheim hebben gezworen,
Dat nooit nog een kind van Belijn zou worden geboren.
Belijn werd woest bij ’t horen van dat plan,
Maar Reynaert de Vos weerhield hem ervan
Naar Nobel te stormen alvorens te weten,
Dat Firapeel het was die zijn jong had gebeten.
Hierop stormde de Ram, bezeten door woede,
Naar Firapeels huis, waar beiden doodbloedden,
Want voor het geschil kon worden verklaard,
Werden beide lichamen opgebaard.
Als laatste der dieren die Reynaert wou krenken,
Moest het rode dier aldoor aan Nobel denken,
De koning die hem ooit veroordeeld had,
Zou straks door ieder worden aanzien als een rat.
Vermomd in de nacht verspreidde hij ‘t gerucht,
Dat Nobel steeds ’s nachts zijn burcht ontvlucht,
Om dan te gaan stelen bij al zijn vazallen,
Die later dan klagen over grote diefstallen.
Ook zonder bewijs geloofde men de leugen,
En de Vos begon zich op vergelding te verheugen.
Wat Nobel gebeurde, wordt nu nog verteld,
Hij werd door zijn volk op de grond neergeveld.
Van Reynaert is verder niets meer gehoord,
Men zegt dat hij op zoek ging naar een bedevaartsoord.
Joke De Vos, 5 LWE
Koninklijk Atheneum Sint-Niklaas







