Eleanor, de eekhoorn
“Het is die stomme vos die mij al heel mijn bestaan treitert. Toen ik nog klein was werd mij mijn moeder door hem ontnomen. Jaren later ook mijn lieve vader. Beide hadden ze Reynaert nog nooit iets aangedaan. Toen stond ik er alleen voor en dat lukte mij vrij goed. Het verliep zelfs uitstekend, tot gisteren die gemene vos weer van zich liet horen.
De smeerlap kwam naar mijn boom en zei dat hij het met mij wou goedmaken en vertelde mij heel overtuigend een verhaal over mijn ouders die zogezegd niet waren opgegeten, maar eigenlijk al een hele tijd in het kleine griezelige stalletje achter zijn huis opgesloten zaten. Zeer enthousiast deed ik een voorstel: een verzoening op voorwaarde dat ik mijn ouders terugkreeg. Reynaert zei dat het een fantastisch idee was en hij voegde er nog eens aan toe hoe ontzettend lief het van mij was. Ik, natuurlijk in de zevende hemel, ging vliegensvlug naar het stalletje. Op dit moment sloeg hij toe. Hij stal mijn zuurverdiende nootjes, die in de opslagplaats van mijn boom lagen en hierna zaagde hij zelfs die boom om. Toen ik terugkwam lag er een briefje: ‘Jammer dat je ze niet gevonden hebt… hahaha!! Oh, ja, en ik he wat eten en hout meegenomen om de winter door te komen.’
’Nu kom ik hier, heer Nobel, om te zeggen dat ik door die smerige vos dakloos ben en geen reserves meer heb.”
Eduardo, het schaap
“Een gemene aaneenschakeling van pesterijen van Reynaert heeft ervoor gezorgd dat ik er nu zo uitzie. Het begon deze morgen op de wei van boer Gustaaf die aan het bos grenst. Vanop die wei zag ik iets verder een vos lopen en ik dacht meteen aan de verhalen over de gemene vos, verteld door Bruun de beer en Tybeert de kater. Iets later zag ik hem weer wegtrekken en ik voelde mij meteen een stuk meer op mijn gemak. Maar enkele minuten later zag ik hem met een tang de afbakening doorknippen waarna hij met een handgebaar enkele wolven liet komen. Ik rende voor mijn leven, maar tegen drie hongerige, bloeddorstige wolven kun je weinig doen. Ze takelden mij enorm toe, een stuk van mijn oor, mijn linkeroog verminkt en zoals jullie kunnen zien nog wel enkele andere dingen. Ze bleven aanvallen tot we een geweerschot hoorden. Het was van boer Gustaafs tweeloop. Toen hij aankwam langs het hek renden de wolven weg langs de kapotgemaakte draad. Ook Reynaert was nu niet meer te zien hoewel hij lachend toekeek toen die wolven mij te grazen namen. Toen Gustaaf mij zag liggen ging hij naar de stal om verzorging. Terwijl hij weg was kwam die snode Reynaert terug om mij nog maar eens toe te takelen. Hij schoor de wol van mijn lijf om er een mooie dikke winterjas van te maken, zo zei hij. Daarna bezeikte hij mij nog eens. Ik probeerde recht te krabbelen, maar door de enorme pijn lukte dat niet. Reynaert vertrok en ik bleef alleen met een gigantische pijn achter. Hierna heb ik alle moed bijeengeraapt, alle pijn verbeten en ben ik meteen naar u toe gekomen, heer Nobel, om dus te zeggen dat Reynaert zwaar gestraft moet worden.”
Estelle, de mol
Samen met haar boezemvriend Cliff de rat, die de blinde mol hielp en begeleidde, stapte Estelle naar heer Nobel. “Die vuile vos heeft mijn hele familie uitgeroeid. Na tientallen jaren is het hem dan toch gelukt, enkel mij moet hij nog hebben. Nooit hebben we hem iets misdaan, nooit! Dus hieruit blijkt dat hij gewoon voor het plezier en eigen vermaak dieren vermoordt. De gruwelijkste moord die hij pleegde was die op mijn jongste zoon Malfred. Het gebeurde eergisteren. Cliff stond namelijk achter een boom toen het gebeurde. Malfred was niet erg diep in de grond zijn gang aan het graven. Dit was Reynaert opgevallen het bracht op hem op het afschuwelijke idee om de mol te doden. Hij vertrok en iets later kwam hij terug met een baksteen, die hij waarschijnlijk wel thuis had gevonden, tussen alle rommel die er ligt. Ook haalde hij een klein schepje uit zijn zak en begon op verschillende plaatsen putjes te graven tot hij de gang van Malfred trof. Hij nam de baksteen, stak deze in het putje en blokkeerde zo de gang. Nu name hij nog iets uit zijn zak, iets heel klein. Een potje met een kruid erin, dit kruid strooide hij langs de baksteen. Dan ging hij wat naar achter, legde zich goed en bleef, weliswaar wat slaperig, naar de steen kijken. Plotseling schoot hij recht, hij zag iets. Het was Malfred. Vol spanning keek hij naar zijn val. Malfred groef tot hij aan de steen kwam, daar stopte hij en hij leek iets te merken, iets te ruiken. Maar het was te laat. Het kruid was peper en Malfred niesde zo hard dat hij zijn hoofdje met een enorme vaart tegen de baksteen stootte, op slag dood. Reynaert sprong recht, lachte en applaudisseerde uitbundig en onophoudelijk. Iets later vertrok hij zomaar weer naar huis.
Glenn Prenen, 5 WeWi
Koninklijk Atheneum Sint-Niklaas







