De grond bewoog onder de voeten
Blouw, de mol, kwam uit zijn hol
Om Reynaert te doen boeten
Men luisterde met gespitste oren
Want blind en trouw, zo was Blouw:
“Toen ik in de grond bezig was met boren
Mijn kindjes waren nog maar net geboren
Tunneltjes en kamertjes hadden we nodig
Wanneer plots Reynaert tevoorschijn kwam
Voor hem niet overbodig.
“Een nest vol met wormen en pieren”
Zei hij - ik lieg niet, geloof me toch dieren
Hij bracht me naar een veld, geen havik te bespeuren
Houd je vast voor wat er gaat gebeuren
Al smikkelend en smullend
Hoorde ik honden en een jager, brullend
Het was te laat
Zo geschiede het kwaad
Mijn kindjes één voor één afgeschoten
Enkel ik heb de ontsnapping genoten
De honden werden teruggefloten
Reynaert eet nu van zijn wintervoorraad fazanten en duiven
En de honden genieten van hun kluiven.”
De tijdelijke stilte werd al snel gebroken door een gekrijs ver weg
Het was Kwalink, de ekster: “Aanhoor wat ik zeg
Mijn verhaal is veel erger dan dat
Van Isegrim of Blouw of Cuwaert
Gestolen is mijn schat
Meer dan Nobels rijkdom is hij waard
Op een morgen was alles verdwenen
De dader, het kon zijn maar enen
Reynaert! De schurk die voor niets terugdeinst
Alles wat hij zegt is geveinsd
Toch, zo slim als ik was
Vond ik hem in het gewas
Een spoor, zeg ik u! Een spoor!
Het is de waarheid die u hoort
Nu zag ik het blinken in de schuur
Toen ik binnenvloog dacht ik: geslagen is het mooiste uur
Maar het mocht niet zijn, zowaar
Het leven hangt maar aan één haar
Mijn poot leek van lood
Hij zat vast met lijm
Ik viel haast in zwijm
Maar dapper en sterk
Anders dan Reynaert de vlerk
Beet ik met mijn bek juist boven mijn klauw
Ontsnapt was ik algauw
Met 1 enkele poot, weliswaar
Ik smeek u: zet die galg maar al klaar.”
Een optocht was na deze toespraak ontstaan
Niemand vond het veilig Reynaert te laten gaan
Woede en verdriet verspreidden zich als de pest in het hele bos
Reynaert liep al deze jaren zomaar los!
Totdat Wregevo, de albatros, kwam nedergedaald
En een werelds verhaal door hem werd aangehaald
Van zijn kreet en gezang
Was iedereen steeds bang:
“Vertel me of sla me of houd me vast
Of geloof onze rode gast
Dit is zijn verminkte ondergang
En dit is ons smekende gezang
Vertel me hetwelke je gelooft
Is het Reynaert of jij die rooft?
Ik verloor een vriend langs oceanen
Ik verloor een vriend langs bergen
Ik verloor een vriend door schaamte
Ik verloor een vriend door bezorgdheid
En binnenkort een vriend door beschuldiging en koppige fierheid.
De hongerigen en de armoedigen
Zij krijgen de kans niet om te overleven
De wereld is een puinhoop en zo zijn wij ook!
En wanneer de wereld ziek is
Is me het bestaan van goedaardige mensen ongewis
Ik had gedroomd dat we allen mooi waren
Ik had gedroomd dat we allen sterk waren!
Ergens heeft iemand een ongeluk gehad
Binnenkort ziet hij het rad
Er is vers vlees op tafel deze avond
Eet jullie buik maar rond.
Zoete misdaden, verbrande huizen
Losse naden, verloren kruizen
Geloof nu toch in tedere dromen
Vind niemand ze dan welgekomen?
Geloof nu toch in de goedheid der dier
Allen samenkomen en feesten en spelen op de lier!
Tezamen! Tezamen! Tezamen!
Tezamen geraken we er!”
Wregevo zweeg, voordat hij nog één zin uit zijn bek kreeg:
“Zouden we niet beter blijven hopen
In plaats van onze toekomst in zee te werpen?”
Frédéric Dubois, 5 LWI, Koninklijk Atheneum Sint-Niklaas







