A A

Anansi en de dood

Ma, Jan 19, 2009

Anansi, Tricksters Algemeen

© Joris Ongena

© Joris Ongena

Tricksters tref je wereldwijd aan in gesproken en geschreven verhalen uit alle tijden en in alle culturen. Het zijn dubbelzinnige, ambivalente figuren.
Ze verschillen onderling sterk, maar allemaal halen ze listen uit en lappen ze geldende normen aan hun laars.
Hieronder vind je het verhaal ‘Anansi en de dood’, voorzien van enkele illustraties van Joris Ongena.  Enerzijds valt het op dat Anansi dezelfde sluwheid als Reynaert aan de dag legt. Anderszijds merk je dat het verhaal in een heel andere omgeving is ontstaan en elementen bevat die voor ons vreemd aan doen. 

© Joris Ongena

© Joris Ongena

Op een dag ging Anansi jagen. Hij liep door het woud tot hij bij een grote open plek kwam en bleef lopen tot hij op een vreemdeling stootte, die hij groette:
“Goedemorgen, broer.” Geen antwoord.
“Goedemorgen, broer,” zei Anansi nog eens.
Geen antwoord. Geen woord.
“Hmm, broer. Kan het dat ik vlees ruik?” Geen antwoord.
“Oké, als je niet antwoordt, dan mag ik mezelf bedienen,” zei Anansi.

Hij ging naar de pot en bleef maar eten, tot zijn buik vol zat.
Daarop zei hij: “Ik weet dat je niet zult antwoorden, maar toch zeg ik je dit: © Joris Ongena
vanaf nu ben ik jouw schoonvader en jij mijn schoonzoon. Morgen breng ik een van mijn dochters mee.” Geen antwoord.
“Oké, zwijgen is instemmen.” Anansi liep door het woud tot hij bij zijn huis kwam. Hij had met bladeren een mand gevlochten om zo veel vlees te dragen als hij maar kon.

De volgende dag zei hij tegen Wenon, zijn vrouw:
“Ik heb een goede plek gevonden om te jagen. En ik heb voor onze dochter een man gevonden. Kijk maar, hij gaf mij een berg vlees.” Wenon antwoordde:“Fijn!”

De volgende dag – het was nog voor dageraad – droeg Anansi zijn dochter op:
“Neem je mand en kom mee met mij.” Zij pakte haar bezittingen samen en ze gingen het huis uit. Ze liepen en liepen maar, tot ze bij de open plek kwamen.
Anansi zei: “Goedemorgen, schoonzoon.” Geen antwoord. Tot zijn dochter zei hij:
“Hij zal niet antwoorden, maar dat is zijn gewone manier van doen. Vanaf nu is hij jouw man.”
Anansi liep naar de pot en at tot zijn buik vol zat. Hij sneed palmbladeren af en vlocht er een mand mee om zo veel vlees te dragen als hij maar kon. Toen zei hij:
“Schoonzoon, ik ga ervandoor. Jij blijft hier met je vrouw.”
Hij pakte zijn mand op en vertrok. De jonge vrouw zag een keurig pad dat naar een inham leidde. Ze namen de vuile borden die haar vader had gebruikt en liep op het pad.
“Kwakpwala!” De deur van de valstrik ging open!
Dood – de vreemdeling was namelijk niemand minder dan Dood – had op het pad een valstrik gezet. Dood stond recht, nam zijn knots en rende op het meisje af. Hij sloeg haar, sleepte haar dode lichaam in het huis, vilde haar, stopte haar in de pot en kookte haar.

De volgende dag kwam Anansi nog voor dageraad naar de open plek.
“Goedemorgen, schoonzoon.” Geen antwoord.
“Alles oké met je vrouw?” Geen antwoord. “Ik veronderstel dat ze de borden aan het afwassen is bij de inham? Fijn.” Anansi nam de pot en zette hem op de grond. Hij begon te eten en bleef maar eten tot zijn buik vol zat. Terwijl hij in de pot snuffelde op zoek naar de beste stukken vlees, was het plots van “Fang!”: hij zag de twee ringen van zijn dochter!
“Dat kan toch niet waar zijn! Het is gedaan met mij: hij heeft mijn dochter vermoord.”
Anansi nam een stevige knots die daar vlakbij lag en sloeg Dood tegen zijn schenen: “Bom!”
Dood snelde op hem af en Anansi vluchtte. Ze bleven maar lopen, tot ze bij het dorp aankwamen.

Daar riep Anansi:
“Klimmen! Wenon, Asingébélé, Akpwatitikwad, Bigimofu: klim tot in de top van de boom!”
“Wat zeg je? Wil je dat we je de grotere pot brengen?” vroeg zijn vrouw.
“Onnozele!” riep Anansi. “Ik was het niet die de stukken vlees heeft vermoord die wij hebben opgegeten. De man die dat deed zit achter mij aan.” De familie klom in de boom en Anansi sprong tot in de top.

Dood kwam aan en zat onder de boom. Een tijdlang bewoog er niemand, tot Asingébélé zei:
“Vader, ik houd het niet langer uit.” Anansi zei:
“Kijk naar je schoonbroer aan de voet van de boom. Doe maar.”
De jongen gaf het op en viel naar beneden. Dood sloeg hem en gooide zijn lichaam naast zich. Een tijdlang bewoog er opnieuw niemand, tot Akpwatitikwad zei:
“Vader, mijn arm is zo moe.” Anansi zei:
“Ik heb de stukken vlees die wij hebben gegeten niet vermoord. Híj deed dat. Kijk naar je schoonbroer aan de voet van de boom. Doe maar.”
De jongen gaf het op en viel naar beneden. Dood sloeg hem en gooide zijn lichaam naast zich. Ook Anansi’ laatste kind en vervolgens zijn vrouw gaven het op en vielen naar beneden.

Anansi bleef nog alleen over in de top van de boom.
Hij bleef volhouden, tot ook hij het niet langer uithield.
Daarop zei hij: “Schoonzoon, weet je wat je moet doen? Ik heb zoveel van je vlees gegeten dat ik nu te dik ben. Breng bananenbladeren en maak een grote hoop as. Als ik straks val, zal mijn lichaam niet barsten en gaat mijn vet niet verloren. Want als ik op de harde grond val, zal mijn lichaam barsten.”

Dood stond recht, sneed bananenbladeren van de boom en verzamelde al de as die hij kon vinden.
“Kijk goed naar de plaats waar ik ga vallen,” waarschuwde Anansi. Dood keek naar de hoop as. “Plof!” Anansi viel in het midden van de hoop en de as vloog overal in het rond. Terwijl Dood zich de ogen uitwreef, vluchtte Anansi.

Zo bracht Anansi Dood onder de mensen. Want vóór dit verhaal leefde Dood in het woud.
Hij doodde geen mensen, alleen maar dieren.
Maar sindsdien, en door de schuld van Anansi, doodt Dood mensen en verscheurt hij ze.

Uit: Jean Hurault (ed.), Le roman d’Anansi ou le fabuleux voyage d’une araignée, Editions Caret, 2006.

Tags:

Geef een reactie